![]() |
|
MOZAIEKVIERUS
WAT ZIJN
VIRUSSEN
Virussen hebben
geen eigen stofwisseling en zijn daarom afhankelijk van het leven in een ander
organisme. Ze kunnen aan sier- of consumptiegewassen
alleen schade toebrengen als ze de planten zijn binnengedrongen. Daar verspreiden
ze zich van cel naar cel en vermenigvuldigen zich.
Sommige virussen
worden gemakkelijk door gereedschap overgebracht, bijvoorbeeld bij het snijden
of vermeerderen. De virussen kunnen via alle beschadigde plekken de planten
binnendringen.
Zuigende insecten
als bladluizen, tripsen of cicaden, zijn een veel voorkomende bron van
infectie.
Schimmels en
aaltjes in de grond kunnen eveneens mozaïekvirussen opplanten overbrengen.
Ook door zaad van
besmette planten kan het mozaïekvirus worden verspreid. Besmetting door
stuifmeel is eerder zeldzaam.
HOE MERK JE DE
VIRUS
Kenmerkend zijn
de mozaïekachtige, geelgroene tekeningen op de bladeren, die het gevolg zijn
van een verstoring van de bladgroenhuishouding. Vaak vergelen de bladeren
helemaal, de planten verwelken, de wortels, scheuten, bladeren en vruchten
kunnen misvormd zijn.
PREVENTIEVE
MAATREGELEN
BESTRIJDING
Er bestaan geen
werkzame middelen tegen infecties met mozaïekvirus. Besmette planten moet u
direct verwijderen en vernietigen, nooit composteren.
Handen steeds
grondig wassen en borstelen.
BLADLUIZEN
ZONDER VERGIF BESTRIJDEN
Daar de
bladluizen de hoofdschuldigen zijn bij het overbrengen van mozaïekvirussen,
gebruik je bij voorkeur geen vergif.
Er zijn middelen
die u zelf kunt maken. Bvb een aftreksel
van brandnetels of een oplossing van zachte zeep en spiritus.
Laat 1 kg verse
brandnetels twaalf uur in 10 l water weken. Dan zeven en onverdund spuiten.
Oplossing voor
zacht zeep en spiritus: 200 gr zachte zeep en 0.5l spiritus in 10 l lauw water
oplossen. Een spuittoestel met de oplossing vullen en met tussenpozen van een
paar dagen enkele keren onverdund spuiten.